Skip to main content

Variabelen en Datatypes

Variabelen zijn als doosjes waarin je waarden kunt opslaan. Elk doosje heeft een naam en een inhoud.

Variabelen aanmaken

Je maakt een variabele aan met het = teken:

naam = "Python"
leeftijd = 15
lengte = 1.75
is_student = True

print(naam)
print(leeftijd)

Datatypes

Python heeft verschillende datatypes:

TypeVoorbeeldBeschrijving
str"Hallo"Tekst (string)
int42Geheel getal (integer)
float3.14Decimaal getal
boolTrue / FalseWaar of niet waar

Je kunt het type opvragen met type():

naam = "Python"
leeftijd = 15
lengte = 1.75
is_student = True

print(type(naam)) # <class 'str'>
print(type(leeftijd)) # <class 'int'>
print(type(lengte)) # <class 'float'>
print(type(is_student)) # <class 'bool'>

Variabelen veranderen

Je kunt de waarde van een variabele op elk moment aanpassen:

score = 0
print("Score:", score)

score = 10
print("Score:", score)

score = score + 5
print("Score:", score)

Input van de gebruiker

info

input() werkt niet in de Playground. Deze functie werkt alleen wanneer je Python lokaal op je computer draait.

Met input() kun je de gebruiker om invoer vragen:

naam = input("Wat is je naam? ")
print("Hallo,", naam)

Oefening 1

Maak variabelen aan voor je naam, leeftijd en favoriete kleur. Print ze daarna in een zin.

# Maak je variabelen aan
naam = ...
leeftijd = ...
kleur = ...

# Print een zin
print(...)
💡 Tip

Strings staan tussen aanhalingstekens, getallen niet. Gebruik komma's in print() om variabelen en tekst te combineren.

✅ Oplossing
naam = "Sara"
leeftijd = 15
kleur = "blauw"

print("Ik ben", naam, "en ik ben", leeftijd, "jaar. Mijn favoriete kleur is", kleur)

Oefening 2

Bereken de oppervlakte van een rechthoek. Sla de breedte en hoogte op in variabelen.

breedte = ...
hoogte = ...
oppervlakte = ...

print("De oppervlakte is:", oppervlakte)
💡 Tip

De oppervlakte van een rechthoek is breedte * hoogte. Sla het resultaat op in een nieuwe variabele.

✅ Oplossing
breedte = 8
hoogte = 5
oppervlakte = breedte * hoogte

print("De oppervlakte is:", oppervlakte)

Oefening 3

Wissel de waarden van twee variabelen om. Als a = 5 en b = 10, moet a daarna 10 zijn en b moet 5 zijn.

a = 5
b = 10

print("Voor:", a, b)

# Wissel hier de waarden om
...

print("Na:", a, b)
💡 Tip

Je hebt een derde variabele nodig als tussenopslag, óf je kunt de Python-truc a, b = b, a gebruiken.

✅ Oplossing
a = 5
b = 10

print("Voor:", a, b)

# Methode 1: met een hulpvariabele
temp = a
a = b
b = temp

print("Na:", a, b)

Of korter met Python:

a = 5
b = 10

print("Voor:", a, b)

a, b = b, a

print("Na:", a, b)