4a Slimme berichten met f-strings
Je rekenmachine uit de vorige les werkte, maar print("Som:", som) was nog niet zo netjes. Met een f-string weef je tekst en variabelen tot één gladde zin.
Een f-string maken
Een f-string is een gewone string met een f ervoor. Variabelen zet je tussen {}:
naam = "Alex"
leeftijd = 15
print(f"Hallo, ik ben {naam} en ik ben {leeftijd} jaar oud.")
Uitvoer:
Hallo, ik ben Alex en ik ben 15 jaar oud.
Je kunt ook berekeningen doen binnen de accolades:
leeftijd = 15
print(f"Volgend jaar ben ik {leeftijd + 1} jaar.")
Tussen de accolades mag elke geldige Python-uitdrukking staan: een variabele, een berekening, of zelfs een functie-aanroep (dat komt later).
Opdracht 4a.1: Begroeting
Maak een variabele naam met je eigen naam, en print Hallo, [naam]! met een f-string.
# Schrijf hier je code
Klik hier voor een tip.
Gebruik f"..." en zet {naam} op de plek waar je naam moet komen.
Klik hier voor de oplossing.
naam = "Alex"
print(f"Hallo, {naam}!")
naam = "Alex"
print(f"Hallo, {naam}!")Opdracht 4a.2: Volgend jaar
Maak twee variabelen (naam en leeftijd). Print één zin die zegt hoe oud je volgend jaar wordt.
Verwachte uitvoer (bij naam = "Alex" en leeftijd = 15):
Hoi Alex! Volgend jaar word je 16.
# Schrijf hier je code
Klik hier voor een tip.
Eén print() met een f-string die zowel {naam} als {leeftijd + 1} bevat.
Klik hier voor de oplossing.
naam = "Alex"
leeftijd = 15
print(f"Hoi {naam}! Volgend jaar word je {leeftijd + 1}.")
naam = "Alex"
leeftijd = 15
print(f"Hoi {naam}! Volgend jaar word je {leeftijd + 1}.")Opdracht 4a.3: Rekenmachine met f-strings
Herschrijf de rekenmachine uit les 3 met f-strings, zodat elke berekening op één regel staat.
Verwachte uitvoer (bij a = 10, b = 4):
10 + 4 = 14
10 - 4 = 6
10 x 4 = 40
10 / 4 = 2.5
# Schrijf hier je code
Klik hier voor een tip.
Eén f-string per berekening: f"{a} + {b} = {a + b}". Voor de andere drie operatoren werkt het hetzelfde.
Klik hier voor de oplossing.
a = 10
b = 4
print(f"{a} + {b} = {a + b}")
print(f"{a} - {b} = {a - b}")
print(f"{a} x {b} = {a * b}")
print(f"{a} / {b} = {a / b}")
a = 10
b = 4
print(f"{a} + {b} = {a + b}")
print(f"{a} - {b} = {a - b}")
print(f"{a} x {b} = {a * b}")
print(f"{a} / {b} = {a / b}")