3 De rekenmachine
Je kunt nu variabelen maken en printen. In deze les laat je Python voor je rekenen — net als een calculator, maar met de waardes uit je variabelen.
Rekenoperatoren
Python kent vier basisoperatoren:
| Operator | Betekenis | Voorbeeld | Resultaat |
|---|---|---|---|
+ | optellen | 5 + 3 | 8 |
- | aftrekken | 10 - 4 | 6 |
* | vermenigvuldigen | 3 * 7 | 21 |
/ | delen | 10 / 4 | 2.5 |
print(5 + 3) # 8
print(10 / 4) # 2.5
/ geeft altijd een decimaal getal terug, ook als de uitkomst rond is: 10 / 2 is 5.0, niet 5.
Rekenen met variabelen
Je kunt variabelen direct in een berekening gebruiken:
prijs = 12.50
aantal = 4
totaal = prijs * aantal
print("Totaal:", totaal)
Uitvoer: Totaal: 50.0.
Rekenvolgorde
Net als bij wiskunde: * en / gaan vóór + en -. Met haakjes stuur je de volgorde:
print(2 + 3 * 4) # 14 (eerst 3 * 4)
print((2 + 3) * 4) # 20 (haakjes eerst)
Bij twijfel: zet haakjes om duidelijk te maken wat eerst moet.
Opdracht 3.1: Optellen
Print de uitkomst van 12 + 8.
# Schrijf hier je code
Klik hier voor de oplossing.
print(12 + 8)
print(12 + 8)
Opdracht 3.2: Kassa-totaal
Een artikel kost 1.50 euro. De klant koopt er 4. Bereken het totaal en print het.
Verwachte uitvoer:
Totaal: 6.0 euro
# Schrijf hier je code
Klik hier voor een tip.
Totaal is prijs * aantal. Print met print("Totaal:", totaal, "euro").
Klik hier voor de oplossing.
prijs = 1.50
aantal = 4
totaal = prijs * aantal
print("Totaal:", totaal, "euro")
prijs = 1.50
aantal = 4
totaal = prijs * aantal
print("Totaal:", totaal, "euro")Opdracht 3.3: Volledige rekenmachine
Bouw een rekenmachine met twee variabelen a en b. Print alle vier basis-berekeningen netjes onder elkaar.
Verwachte uitvoer (bij a = 10, b = 4):
=== Rekenmachine ===
Getal 1: 10
Getal 2: 4
Som: 14
Verschil: 6
Product: 40
Quotiënt: 2.5
# Schrijf hier je code
Klik hier voor een tip.
Maak vier extra variabelen (som, verschil, product, quotient) en print ze één voor één. Een lege print() zonder argumenten geeft een witregel.
Klik hier voor de oplossing.
a = 10
b = 4
som = a + b
verschil = a - b
product = a * b
quotient = a / b
print("=== Rekenmachine ===")
print("Getal 1:", a)
print("Getal 2:", b)
print()
print("Som: ", som)
print("Verschil:", verschil)
print("Product: ", product)
print("Quotiënt:", quotient)
Functioneel werkt het, maar print("Som:", som) is nog niet super netjes. In de volgende les leer je f-strings waarmee je tekst en variabelen tot één gladde zin vlecht.
a = 10
b = 4
som = a + b
verschil = a - b
product = a * b
quotient = a / b
print("=== Rekenmachine ===")
print("Getal 1:", a)
print("Getal 2:", b)
print()
print("Som: ", som)
print("Verschil:", verschil)
print("Product: ", product)
print("Quotiënt:", quotient)