Ga naar hoofdinhoud

9b Return

Je functies met parameters tonen iets op het scherm. Maar wat als je het resultaat wilt gebruiken voor verdere berekeningen of beslissingen? Daarvoor is return: een functie geeft een waarde terug, en die kun je opslaan of doorrekenen.

Een waarde teruggeven

def verdubbel(getal):
return getal * 2

resultaat = verdubbel(5)
print(resultaat) # 10
print(verdubbel(7) + 1) # 15
  • return getal * 2 geeft de uitkomst terug uit de functie.
  • resultaat = verdubbel(5) vangt die waarde op.
  • Je kunt het resultaat ook direct in een berekening of f-string gebruiken.

Dit verschil is essentieel — en een van de meest gemaakte fouten door beginners:

print()return
Wat doet het?Toont iets op het schermGeeft een waarde terug uit de functie
Kun je het opslaan?NeeJa: x = mijn_functie(...)
Geschikt voorOutput tonenBerekeningen, beslissingen

Een functie zónder return levert automatisch None op — letterlijk "geen waarde". Stelregel: als je een functie maakt om een waarde te berekenen, hoort er een return in. Toont de functie alleen iets, dan is print() genoeg.


Opdracht 9b.1: Kwadraat

Schrijf een functie kwadraat(getal) die getal * getal teruggeeft. Sla het resultaat op en print het.

# Schrijf hier je code
Klik hier voor een tip.

return getal * getal binnen de functie. Daarna resultaat = kwadraat(6) en print(resultaat).

Klik hier voor de oplossing.
def kwadraat(getal):
return getal * getal

resultaat = kwadraat(6)
print(resultaat)

Uitvoer: 36.

def kwadraat(getal):
  return getal * getal

resultaat = kwadraat(6)
print(resultaat)

Opdracht 9b.2: Max van twee

Schrijf een functie max_van_twee(a, b) die het grootste van twee getallen teruggeeft. Gebruik if/else in de functie.

Verwachte uitvoer:

20
7
5
# Schrijf hier je code
Klik hier voor een tip.

Als a > b, return a. Anders return b. Bij gelijke getallen maakt het niet uit welke je teruggeeft.

Klik hier voor de oplossing.
def max_van_twee(a, b):
if a > b:
return a
else:
return b

print(max_van_twee(10, 20))
print(max_van_twee(7, 3))
print(max_van_twee(5, 5))
def max_van_twee(a, b):
  if a > b:
      return a
  else:
      return b

print(max_van_twee(10, 20))
print(max_van_twee(7, 3))
print(max_van_twee(5, 5))

Opdracht 9b.3: Rekenmachine met functies

Bouw vier functies die elk een resultaat teruggeven: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen. Bij delen moet je eerst checken of b niet 0 is — als dat zo is, geef de tekst "Fout: delen door 0!" terug.

Verwachte uitvoer (bij a = 20, b = 4):

20 + 4 = 24
20 - 4 = 16
20 x 4 = 80
20 / 4 = 5.0
# Schrijf hier je code
Klik hier voor een tip.

aftrekken en vermenigvuldigen zijn één regel (return a - b, return a * b). Bij delen: if b == 0: → return de foutmelding, anders return a / b.

Klik hier voor de oplossing.
def optellen(a, b):
return a + b

def aftrekken(a, b):
return a - b

def vermenigvuldigen(a, b):
return a * b

def delen(a, b):
if b == 0:
return "Fout: delen door 0!"
else:
return a / b

a = 20
b = 4

print(f"{a} + {b} = {optellen(a, b)}")
print(f"{a} - {b} = {aftrekken(a, b)}")
print(f"{a} x {b} = {vermenigvuldigen(a, b)}")
print(f"{a} / {b} = {delen(a, b)}")

Een variabele houdt één waarde vast. In de volgende les leer je lijsten: meerdere waardes in één variabele, met een vaste volgorde.

def optellen(a, b):
  return a + b

def aftrekken(a, b):
  return a - b

def vermenigvuldigen(a, b):
  return a * b

def delen(a, b):
  if b == 0:
      return "Fout: delen door 0!"
  else:
      return a / b

a = 20
b = 4

print(f"{a} + {b} = {optellen(a, b)}")
print(f"{a} - {b} = {aftrekken(a, b)}")
print(f"{a} x {b} = {vermenigvuldigen(a, b)}")
print(f"{a} / {b} = {delen(a, b)}")